Deze website maakt gebruik van cookies.

Zes vragen aan Henk Koolen

12-06-2017

Deze week stelden we zes vragen aan Henk Koolen, programmeur bij Paard in Den Haag. Lees meer over Henk’s werk, zijn spotlight ervaring bij de band Mud, zijn whisky-rondreis op zoek naar de Boards of Canada en voor welke muziek je hem ’s nachts wakker mag maken.

Wie ben je?
Ik ben Henk Koolen en ik ben één van de programmeurs van het Haagse poppodium Paard. Tot voor kort gingen we door het leven als Paard van Troje, maar onder meer omdat we in de volksmond toch altijd al Paard genoemd werden hebben we die laatste twee woorden sinds kort laten vallen. Als programmeur doe ik sinds een jaar of vier vooral de live-programmering. Daarvoor deed ik de nachtprogrammering en de festivals, waar wij als Paard bij betrokken waren of die we zelf organiseerden. Zo hebben we dertien edities van State-X New Forms gedaan, een festival voor experimentele en avontuurlijke muziek. De jazzprogrammering die onderdeel was van SXNF krijgt sinds dit jaar een vervolg in het Mondriaan Jazzfestival. Zelf maak ik nu deel uit van de programmeursgroep van dat andere avontuurlijke Haagse Festival Rewire. Samen met onze vrienden van het nabijgelegen uitgaansgebied de Grote Markt organiseren wij jaarlijks (dit jaar voor de vierde keer) het Sniester Festival met zo’n tachtig acts in drie dagen die wij vooral selecteren op impact, energie en emotie en waarmee we niet achter de grote namen aanjagen.

Naast programma in het Paard programmeren we als Paard ook nog op locaties in de stad, zoals het Zuiderparktheater, het Zuiderstrandtheater, de Koninklijke Schouwburg, diverse strandtenten, de Nieuwe Kerk alsmede op stiekeme en nog nooit gebruikte locaties. Dat is een hele berg aan optredens die ook nog eens uiteen lopen tussen alle denkbare genres. Ik ben dan ook maar wat blij dat ik zo veel fantastische en flexibele collega’s heb die dat qua marketing, productie, horeca en administratie een beetje in goede banen leiden.

Wat was het eerste live concert waar je ooit naartoe ging?
Het eerste concert van mijn leven zag ik toen ik vijftien jaar oud was. Mijn toenmalige buurmeisje van twaalf had een onbeantwoorde kalverliefde opgevat voor Dave Mount, de enigszins onooglijke drummer van het Engelse bandje Mud. Het is nu nog nauwelijks voor te stellen, maar Mud scoorde in die tijd gedreven door de kauwgomballen-sound van producers Chinn & Chapman de ene na de andere nummer één-hit in alle beschaafde landen van Europa. Met grote opwinding en een bewonderenswaardige vasthoudendheid had mijn buurmeisje zodra in de Popfoto of de Joepie (daar wil ik van af wezen) een optreden van haar favoriete band werd aangekondigd haar moeder (onze buurvrouw) tot krankzinnigheid gezeurd dat zij daarbij wilde zijn. De buurvrouw was uiteindelijk onder de emotionele druk bezweken en stond haar dochter de realisering van haar droom toe op voorwaarde dat zij begeleid zou worden door een betrouwbare chaperon. Uiteraard viel de keuze op mij.

Zo bevond ik mij enige weken later achter in de auto van de buren op weg naar het Belgische Deurne, alwaar dit bij voorbaat legendarische optreden plaats zou vinden. Op een gigantisch parkeerterrein tussen de sporthal en de plaatselijke Grand Bazar werden mijn buurmeisje en ik uit de auto gelaten en kreeg ik van de buurvrouw de twee felbegeerde toegangskaarten in mijn hand gedrukt.

De woorden legendarisch en felbegeerd in het voorgaande dienen overigens vanuit het perspectief van mijn buurmeisje gezien te worden, want ik was met mijn verzameling waarin ‘Tubular Bells’ van Mike Oldfield met ‘Meddle’ van Pink Floyd streed om de titel meest gedraaide plaat behoorlijk gegeneerd met het vooruitzicht dat ik op concertgebied ontmaagd zou worden door vier dertigers met veel te grote pakken, plateauzolen en synchrone danspasjes.

Al snel bleek dat ik een opvallende verschijning was in het gezelschap dat zich een route wurmde naar de ingang van het sportpaleis. Zelfs met mijn voor mijn leeftijd gemiddelde lengte torende ik als een reus uit boven het elf- tot dertienjarige Mud-grut.

Her en der werden mij door ouders van het masochistische soort die er zelfs niet voor terug deinsden hun zoontjes of dochtertjes naar binnen te vergezellen meewarige blikken toegeworpen, die ik interpreteerde als een mengeling van twijfel over mijn geestelijke capaciteiten en mijn seksuele geaardheid.

Tot mijn niet geringe blijdschap bleken de kaartjes toegang te geven tot een tribune aan de rand van de wielerbaan zodat ik het concert te midden van de gillende en springende tieners in betrekkelijke anonimiteit zittend kon doorbrengen.

Na een goed uur kondigde Les Gray aan dat de band zijn laatste nummer ging spelen. Niet alleen verging op dat moment door het gekrijs horen en zien, ook mijn reukzin werd mij door de alsmaar penetranter wordende geur van lekkende puberonderbroekjes ontnomen. Opgelucht ademhalen dat ik het eind van de avond zonder kleerscheuren had gered was er dus ook niet bij.

Niets had mij echter kunnen voorbereiden op de mokerslag die nog moest volgen.

Het laatste nummer van de avond bleek niets minder te zijn dan een bijzonder lang uitgesponnen versie van de hit ‘Tigerfeet’. Tijdens het zingen van het refreintje (‘That’s right, that’s right, that’s right, that’s right’) had de lichttechnicus van de band bedacht dat het een goed idee zou zijn de triomftocht van Mud (een zaal vol meezingende en meeklappende tieners) te begeleiden met het over het publiek rond laten draaien van een volgspot.

Met angst en beven zag ik de lichtkolom vanuit mijn veilige zittende positie mijn tribunevak naderen en tot op de dag van vandaag ben ik er van overtuigd dat de lichtman op het moment dat de spot mij ving deze stilzette. Zie daar, vijfduizend mensen die staan te springen en te zingen en daar zit hij, die ene zuurpruim die niet mee wil doen. Ten prooi aan wanhoop en een gebrek aan levensjaren om mij zelf een houding te geven wist ik niets beters te doen dan ook maar op te staan en schaapachtig mee te gaan klappen.

Triomfantelijk keek mijn buurmeisje mij aan en zei gelukzalig: “Wat zijn ze goed, hè?”

Waar ben je als programmeur van ‘t Paard tot nu toe het meest trots op?
Ik ben zelf een enorme omnivoor qua muziek en geloof echt dat er maar twee genres zijn, namelijk goede en slechte muziek. Waar ik altijd wel een enorme kick van krijg is als je er in slaagt om de muziek waar je zelf in gelooft op een goede manier onder de aandacht te brengen van een (nieuw) publiek. Een aantal jaren terug waren wij één van de eerste popzalen die neo-klassieke muziek gingen programmeren. We deden dat in eerste instantie op zaterdagmiddagen in onze serie ‘Daydreaming’. Zo’n beetje alle relevante namen uit die scene (Peter Broderick, Johann Johannsson, Olafur Arnalds, Hauschka, Greg Haines, Dustin o’Halloran, Nils Frahm, James Blackshaw etc.) zijn wel langs geweest. We begonnen er mee in de Kleine Zaal, maar moesten al snel naar de Grote Zaal en het culmineerde uiteindelijk in Nils Frahm die terugkeerde in een ruim van te voren uitverkochte Grote Zaal. Nog altijd programmeer ik geregeld artiesten uit die hoek. De afgelopen maanden onder meer Lubomyr Melnyk, Joep Beving, Jan Swerts en Jef Neve.

Wie zou je ooit nog willen programmeren en/of wat is je gedroomde line-up?
Ik heb al lang een vast en totaal onhaalbaar wensenlijstje, namelijk Scott Walker, Robert Wyatt en Boards Of Canada. Robert Wyatt heeft al jaren geleden gezegd dat hij nooit meer wil optreden en Scott Walker heeft volgens mij sinds 1978 niet meer opgetreden. Enkele jaren geleden was er sprake van mogelijke liveoptredens samen met Sunn O))), een band die wij een aantal keren op State-X New Forms hebben laten spelen. Het bleek weer eens ijdele hoop. Jammer hoor, want de fysieke ervaring van het geluid van Sunn O))) met die geweldige stem van Scott Walker had ik graag ondergaan.

Boards Of Canada is één van de favoriete bands van mijn kinderen, maar die gasten (Boards, he, niet mijn kinderen) verstoppen zich al jaren in de Schotse heuvels. Vaak wanneer mijn kinderen en ik in een aangeschoten bui over muziek zitten te praten dan plannen we een speurtocht door de omgeving rond Edinburgh om op zoek te gaan naar dat boerderijtje waar de studio van BoC moet zijn. Ik heb al de nodige research op internet gedaan en dan krijg je nog wel enige clues waar je ongeveer moet zoeken. Als we dat dan samen doen met een whisky-rondreis dan kan ik mijn twee grootste hobby’s (muziek en drinken) prima combineren.

Als je geen programmeur zou zijn, wat had je vermoedelijk dan gedaan?
Ik heb een verleden als economieleraar en als import-export-begeleider van wit poeder. Klinkt heel rock’n roll, maar het ging over melkpoeder. Beide heb ik laten schieten omdat ik via een alternatief radiostation dat we met een aantal mensen in Rotterdam hadden opgezet af en toe ook evenementen organiseerde. Daaruit vloeiden weer wat freelance-klusjes voort en zo ben ik in deze business gerold. Als het niet als programmeur was dan zou ik vermoedelijk iets met radio, andere media, journalistiek of anderszins doen, maar altijd met muziek als basis. Tenzij iemand me een baan als voetbalanalist geeft dan verbrand ik meteen alle andere schepen. Het was nota bene paus Johannes Paulus de Tweede die zei: ‘Van alle onbelangrijke dingen in het leven is voetbal het belangrijkste.’ En ik ga natuurlijk niet in tegen de mening van een man in een jurk.

Guilty pleasures bestaan volgens ons niet. Maar, voor welke ‘onverwachte muziek’ mag je ’s nachts worden wakker gemaakt, die men wellicht niet 1-2-3 bij jou verwacht?
Op het gevaar af dat men nu gaat denken dat ik de hele dag alleen maar naar piano en violen luister (integendeel de drummachines knallen en de gitaren gieren bijna de hele dag): ik heb me de afgelopen jaren flink verdiept in klassieke muziek. Gewoon begonnen met de Middeleeuwen en stug doorluisteren tot naar componisten van de eenentwintigste eeuw. Het geheim van klassieke muziek ontdekken is volgens mij dat je het moet behandelen als popmuziek (wat het vroeger natuurlijk ook was). Ik heb playlisten gemaakt met mijn favoriete liedjes uit de muziekgeschiedenis en luister echt geen complete composities. De strijkkwartetten van Beethoven zijn geweldig maar ik heb echt geen zin om de volle dertig minuten daarnaar te luisteren. Dan kies ik liever één beweging uit om daarna een aria van Verdi of een lied van Mahler te draaien. Heel verfrissend en heel verrassend. Mijn vrouw wordt alleen gek van dat gehak op getak dus speciaal voor haar heb ik wat minder diverse playlisten gemaakt. Elke avond eindigt bij ons met kamermuziek door de eeuwen heen, waarop het eventueel heerlijk inslapen is en trouwens “good for your love life too.” Het is dus misschien niet strikt muziek waar je me voor wakker mag maken maar wel waarvoor je me in slaap mag brengen. 


Klik hier om de verhalen van de andere programmeurs te lezen in de rubriek "Zes vragen aan...".