Bron

Rijksoverheid

Aanpassing wetgeving rond schijnzelfstandigheid

7 maart 2026

Het kabinet heeft besloten een belangrijk onderdeel van het wetsvoorstel Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (WVBAR) te laten vervallen.

Het deel dat moest verduidelijken wanneer iemand als zelfstandige werkt en wanneer sprake is van een dienstverband wordt geschrapt. Daarmee ontstaat ruimte om verder te werken aan een alternatief wetsvoorstel: de zogeheten Zelfstandigenwet. Deze koerswijziging was al aangekondigd in het coalitieakkoord voor de periode 2026-2030. Van het oorspronkelijke WVBAR-voorstel blijft alleen het onderdeel over dat een rechtsvermoeden van werknemerschap introduceert.

Dat houdt in dat iemand die als zelfstandige minder verdient dan €38 per uur (peildatum 1 januari 2026) in beginsel wordt gezien als werknemer. Wanneer een opdrachtnemer zich op dit vermoeden beroept, ligt de bewijslast bij de opdrachtgever om aan te tonen dat er daadwerkelijk sprake is van zelfstandig ondernemerschap.

Onrust rond het verduidelijkingsdeel

Het kabinet vindt dat het deel van het wetsvoorstel dat criteria bevat voor de beoordeling van arbeidsrelaties te veel onzekerheid heeft veroorzaakt. Deze criteria zijn mede gebaseerd op het zogenoemde Deliveroo-arrest van de Hoge Raad. Volgens minister Aartsen heeft het voorstel geleid tot terughoudendheid bij opdrachtgevers om met zelfstandigen te werken, terwijl samenwerking met zzp’ers in veel gevallen gewoon mogelijk blijft zolang de arbeidsrelatie correct is ingericht.

Hoewel dit deel van de wet wordt geschrapt, blijven de bestaande juridische uitgangspunten en de rechtspraak relevant. De Belastingdienst gebruikt deze kaders namelijk nog steeds bij het toezicht op schijnzelfstandigheid. Organisaties doen er daarom goed aan hun samenwerkingen met zelfstandigen voorlopig langs deze bestaande juridische maatstaven te blijven beoordelen.

Nieuw toetsingskader in de Zelfstandigenwet

De voorgestelde Zelfstandigenwet introduceert een nieuw systeem om te bepalen of iemand als zelfstandige werkt of feitelijk werknemer is. Daarbij worden drie soorten toetsen toegepast, die gezamenlijk moeten worden beoordeeld.

De eerste toets kijkt naar het ondernemerschap van de opdrachtnemer. Daarbij spelen onder meer factoren een rol zoals werken voor eigen rekening en risico, het voeren van een eigen administratie, actief opereren op de markt en het treffen van voorzieningen voor arbeidsongeschiktheid en pensioen.

De tweede toets richt zich op de aard van de werkrelatie. Hierbij wordt gekeken of de werkzaamheden onder gezag van een opdrachtgever plaatsvinden, of dat er sprake is van vrijheid in de organisatie van het werk en de werktijden. Ook telt mee of beide partijen daadwerkelijk hebben beoogd samen te werken buiten een arbeidsovereenkomst.

Daarnaast wordt een sectorale toets mogelijk. In sectoren waar een verhoogd risico op schijnzelfstandigheid bestaat, kan een aanvullend rechtsvermoeden van werknemerschap worden ingevoerd. Dit vermoeden kan vervolgens worden weerlegd aan de hand van de criteria uit de werkrelatietoets.

Vervolg van de wetgeving

Het kabinet wil de wetgeving rond arbeidsrelaties zo snel mogelijk verder brengen. Het rechtsvermoeden van werknemerschap uit het WVBAR-voorstel blijft daarom onderdeel van het wetgevingsproces. De minister heeft de Tweede Kamer gevraagd de behandeling van dit onderdeel voort te zetten, met als doel dit uiterlijk op 31 augustus 2026 in werking te laten treden. Tegelijkertijd wordt gewerkt aan de verdere uitwerking van de Zelfstandigenwet.