Handboek Loonheffingen 2026 staat online
19 maart 2026
De Belastingdienst heeft het Handboek Loonheffingen 2026 online gepubliceerd.
Het gaat om de versie van maart 2026. In het Handboek staat alle informatie over de loonheffingen voor 2026 die belangrijk is voor werkgevers. Het Handboek Loonheffingen 2026 is het naslagwerk van de Belastingdienst over alles wat met de aangifte loonheffingen te maken heeft. Eerder publiceerde de fiscus de belangrijkste inhoudelijke wijzigingen al in de (derde versie van de) Nieuwsbrief Loonheffingen 2026. Deze aanpassingen zijn nu in het Handboek verwerkt.
Bovendien heeft de Belastingdienst verschillende informatie verduidelijkt, aangevuld en gewijzigd. Vooraan in het Handboek staat een ‘versiebeheer’ met alle aanpassingen op een rij.
Kleine aanpassingen en informatie toegevoegd
Veel hoofdstukken zijn (vrijwel) ongewijzigd gebleven in de uitgave van 2026. In andere hoofdstukken zijn kleine aanpassingen gedaan, maar vooral in het hoofdstuk over Loonkostenvoordelen is veel gewijzigd. De fiscus heeft in het Handboek onder meer de volgende informatie toegevoegd:
- Werkgevers kunnen vanaf 1 mei 2026 aangifte loonheffingen betalen op het nieuwe centrale rekeningnummer van de fiscus (IBAN NL04 RABO 0200 1122 44). Een werkgever mag alle aangiften loonheffingen voor 2026 ook nog betalen op het oude rekeningnummer. Vanaf 2027 is het nieuwe rekeningnummer verplicht.
- De verduidelijking dat voor de uitzendovereenkomst code aard arbeidsverhouding 11 geldt en voor de payrollovereenkomst code aard arbeidsverhouding 82. En dat een payrollovereenkomst een bijzondere vorm is van een uitzendovereenkomst, waarbij:
- de overeenkomst van opdracht tussen de werkgever en derde niet tot stand is gekomen in het kader van het samenbrengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt (allocatiefunctie), en
- de werkgever alleen met toestemming van de derde de werknemer aan een ander ter beschikking mag stellen (exclusiviteit).
- Voorbeelden wanneer de nihilwaardering volgens de Belastingdienst niet van toepassing is, namelijk als een werknemer in zijn vrije tijd zijn eigen auto op de werkplek parkeert en daarvan meer dan een beperkt privévoordeel heeft, of als de werknemer op de werkplek zijn eigen elektrische auto oplaadt.