Bron

Kunsten '92

Handreiking Weerbare Cultuursector in tijden van polarisatie gepubliceerd

20 januari 2026

De handreiking van Kunsten '92 speelt in op de groeiende behoefte in de culturele en creatieve sector aan houvast bij het werken in een context van maatschappelijke spanningen, polarisatie en toenemende druk om positie te kiezen.

Die behoefte is herkenbaar. Culturele organisaties krijgen steeds vaker te maken met verstoringen, intimidatie van medewerkers en druk om zich publiekelijk uit te spreken – of juist te zwijgen. Tegelijkertijd zijn kunst en cultuur bij uitstek plekken waar meerstemmigheid, verbeelding en verbinding mogelijk moeten blijven. De handreiking biedt geen pasklare antwoorden, maar ondersteunt organisaties bij zorgvuldige afwegingen rond artistieke vrijheid, veiligheid, kernwaarden en maatschappelijke verantwoordelijkheid, met oog voor makers, medewerkers en publiek.

De publicatie valt samen met het verschijnen van het advies Maken (z)onder druk van de Raad voor Cultuur, waarin het belang van duidelijke kaders wordt benadrukt en politiek en overheid worden opgeroepen om artistieke vrijheid actief te beschermen. In dat licht is het relevant om de handreiking van Kunsten ’92 te lezen in samenhang met het afwegingskader van de VNPF. Beide documenten bieden verschillende, maar complementaire perspectieven op dezelfde vraagstukken. Hieronder lichten we toe hoe deze handreikingen zich tot elkaar verhouden en hoe zij elkaar kunnen versterken in de praktijk.

Theoretische duiding van polarisatie

Het Verwey-Jonker-rapport gaat op een aantal punten verder dan het VNPF-afwegingskader. Zo bevat het een uitgebreide theoretische duiding van polarisatie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen inhoudelijke en affectieve polarisatie en het denkkader van Bart Brandsma wordt toegelicht, met begrippen als ‘pushers’, ‘het stille midden’ en ‘brandstof’. Ook wordt uitgelegd waarom in sommige situaties juist niet reageren effectiever kan zijn dan wel reageren.

In het VNPF-kader wordt polarisatie wel benoemd, maar niet theoretisch uitgewerkt of geduid met modellen. Dat is geen omissie, maar een bewuste keuze. Het Verwey-Jonker-stuk is deels een kennis- en reflectiedocument, terwijl het VNPF-kader primair handelingsgericht is. Voor wie verdieping zoekt in de theorie achter polarisatie, wordt in het VNPF-kader daarom expliciet verwezen naar Verwey-Jonker.

Interne sociale dynamiek en medewerkerswelzijn

Daarnaast besteedt het Verwey-Jonker-rapport veel aandacht aan de interne sociale dynamiek binnen organisaties. Het gaat uitgebreid in op spanningen tussen medewerkers, emotionele belasting, angst en morele stress, en op het belang van nazorg, debriefing en begeleiding na incidenten of heftige discussies.

In het VNPF-kader komen veiligheid en werkklimaat nadrukkelijk aan bod, maar de psychosociale impact op medewerkers wordt minder uitgebreid uitgewerkt. Ook hier gaat het om een verschil in focus. Het VNPF-kader richt zich vooral op besluitvorming en bestuurlijke verantwoordelijkheid, terwijl Verwey-Jonker nadrukkelijk inzoomt op de HR- en zorgkant van het werk. Die invalshoek kan een waardevolle aanvulling zijn, bijvoorbeeld in de vorm van trainingen of aanvullende handreikingen.

Dialoog en gespreksmethodieken

Een derde verschil zit in de rol van dialoogmethodieken. Het Verwey-Jonker-rapport benoemt expliciet gespreks- en dialoogmethoden, zoals Deep Democracy, en positioneert gespreksvoering als een kerncompetentie in situaties van polarisatie.

In het VNPF-kader wordt dialoog wel genoemd als waarde en als mogelijke handelingsrichting, maar niet methodisch uitgewerkt. Ook dit is geen tekortkoming, maar past bij de opzet van het kader. Methodische verdieping en het trainen van vaardigheden horen logischerwijs thuis in praktijkgerichte trainingen, zoals die onder meer door de Stichting Sociale Veiligheid Podiumkunsten worden aangeboden.

Normatieve positie: artistieke vrijheid en autonomie

Er zijn ook duidelijke punten waarop het VNPF-afwegingskader juist sterker en explicieter is dan het Verwey-Jonker-rapport. Dat geldt allereerst voor de normatieve positionering van artistieke vrijheid. Het VNPF-kader is hierin uitgesproken: artistieke vrijheid wordt expliciet benoemd als mensenrecht, het afstandsbeginsel wordt scherp neergezet en er is veel aandacht voor autonomie en de risico’s van politieke of financiële druk.

Het Verwey-Jonker-rapport is op dit punt neutraler en beschrijvender, en minder expliciet richting politiek, bestuur en subsidiegevers. Dit verschil hangt samen met de verschillende rollen: een brancheorganisatie kiest bewust positie, een onderzoeksinstituut faciliteert en analyseert.

Morele verantwoordelijkheid als onderdeel van besluitvorming

Daarmee samenhangend introduceert het VNPF-kader morele verantwoordelijkheid expliciet als onderdeel van zorgvuldige besluitvorming. Morele afwegingen worden benoemd als legitiem en noodzakelijk, en gepositioneerd als vorm van normatief leiderschap, niet als censuur.

Dit niveau van expliciete morele reflectie ontbreekt grotendeels in het Verwey-Jonker-rapport, dat vooral procesmatig blijft. Juist hierin ligt een belangrijke toegevoegde waarde van het VNPF-kader.

Partnerschappen, sponsors en reputatiedruk

Tot slot is het VNPF-kader veel explicieter over de rol van partnerschappen, sponsors en reputatiedruk. Het gaat uitgebreid in op druk vanuit samenwerkingspartners, co-branding en reputatiemanagement, en introduceert het idee van proportionele ‘light checks’ bij samenwerkingen, bijvoorbeeld op het gebied van waarden en duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s).

In het Verwey-Jonker-rapport komt dit slechts zijdelings aan bod.

Complementaire handreikingen

Samen laten beide documenten zien dat omgaan met maatschappelijke druk, polarisatie en sociale veiligheid meerdere lagen kent: van theorie en medewerkerszorg tot normatieve keuzes, bestuurlijke verantwoordelijkheid en partnerschappen. Ze zijn daarmee nadrukkelijk complementair en bedoeld om in samenhang te worden gebruikt, ieder vanuit zijn eigen rol en functie.