Rijksoverheid
Kabinet wil beter zicht op balans tussen taken, ambities en middelen van overheden
29 september 2026
Het kabinet wil structureel beter in beeld brengen of de taken en ambities van gemeenten en provincies in verhouding staan tot de beschikbare financiële middelen, beleidsruimte en uitvoeringskracht.
Minister Heerma van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft daarvoor een aantal nieuwe instrumenten aangekondigd. De ontwikkeling is mogelijk ook interessant voor de culturele sector, waar Rijk, provincies en gemeenten ieder een belangrijke rol spelen. Aanleiding zijn eerdere adviezen van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) over mogelijke disbalans tussen de taken die medeoverheden moeten uitvoeren en de middelen en mogelijkheden die zij daarvoor hebben. Het ministerie van BZK heeft samen met andere departementen, VNG en IPO onderzocht hoe daar structureel beter zicht op kan worden gehouden.
Taken en financiële ruimte beter in beeld
In november 2026 wil het kabinet een overzicht opleveren van de taken van gemeenten en provincies. Begin 2027 volgt nader onderzoek naar onder meer de beleidsvrijheid en sturingsmogelijkheden van medeoverheden.
Daarnaast wil het kabinet financiële gegevens uit begrotingen en jaarrekeningen beter benutten om te volgen hoe de uitgaven van gemeenten en provincies zich per beleidsterrein ontwikkelen. Op die manier moet eerder zichtbaar worden wanneer er mogelijk spanning ontstaat tussen een taak en de beschikbare middelen.
Uit praktijkonderzoek blijkt volgens het kabinet dat niet alleen de financiering een rol speelt. Ook kan onduidelijk zijn wat precies tot een wettelijke taak behoort en hoeveel beleidsvrijheid gemeenten en provincies daarbij hebben. Bovendien kunnen landelijke of maatschappelijke ambities verder gaan dan wat wettelijk van medeoverheden wordt verlangd.
Nieuwe balansscan
Een van de nieuwe instrumenten is een zogenoemde balansscan. Daarmee kan per beleidsterrein worden bekeken of ambities, wettelijke taken, beschikbare middelen, beleidsvrijheid en uitvoeringskracht nog voldoende met elkaar in verhouding zijn.
Ook kan worden onderzocht of eerdere aannames over kosten en uitvoering nog kloppen. De uitkomst kan aanleiding zijn om bijvoorbeeld taken of ambities aan te passen, de financiering te wijzigen of de uitvoering anders te organiseren.
Ook de financieringsvorm wordt daarbij betrokken. Het kabinet houdt vast aan de algemene uitkering uit het gemeente- en provinciefonds als voorkeursvorm, vanwege de beleids- en bestedingsvrijheid die deze biedt. Daarnaast kan de nieuwe Bijzondere Fondsuitkering worden ingezet om middelen voor bepaalde taken gedurende meerdere jaren afzonderlijk zichtbaar te houden.
Vanaf 2027 moeten jaarlijkse integrale financiële overzichten bovendien meer inzicht geven in de ontwikkeling van taken, beleidsvrijheid en lasten van gemeenten en provincies en in eventuele disbalansen.
Mogelijk ook relevant voor cultuurbeleid
Hoewel de plannen niet specifiek over cultuur gaan, is de achterliggende benadering ook voor de culturele sector relevant. Cultuurbeleid wordt in Nederland immers door verschillende bestuurslagen vormgegeven en gefinancierd, terwijl culturele ecosystemen zich niet langs bestuurlijke grenzen organiseren.
De VNPF pleit daarom al langer voor betere afstemming tussen Rijk, provincies en gemeenten. Vanuit het perspectief van podia, festivals, makers en andere culturele organisaties zouden verschillende overheden veel meer als één overheid kunnen opereren: met beter op elkaar afgestemde ambities, verantwoordelijkheden en financiering.
De gedachte achter de nieuwe aanpak van het kabinet (taken, ambities, middelen, beleidsruimte en uitvoeringskracht in samenhang bekijken) biedt daarvoor een interessant aanknopingspunt. Een vergelijkbare benadering binnen het cultuurbeleid kan helpen om duidelijker te maken wat overheden gezamenlijk van de culturele sector verwachten, wie waarvoor verantwoordelijkheid draagt en welke middelen nodig zijn om die ambities daadwerkelijk te realiseren.