Rijksoverheid
Kabinet zet volgende stap in herziening cultuurbestel vanaf 2029
9 oktober 2026
Het kabinet heeft op voorstel van minister Letschert van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een plan vastgesteld voor de verdere ontwikkeling van het Nederlandse cultuurbestel vanaf 2029.
Centraal staan betere toegang tot cultuur, vereenvoudiging van het subsidiestelsel en een andere rol voor de rijkscultuurfondsen. De plannen worden de komende maanden verder uitgewerkt met medeoverheden, fondsen en vertegenwoordigers uit de culturele sector. Rond de zomer van 2027 wil de minister definitieve keuzes maken. De nieuwe subsidieperiode begint op 1 januari 2029.
ontdek hier:
Betere toegang en sterkere regionale infrastructuur
Een van de uitgangspunten is dat cultuur goed toegankelijk moet zijn in alle delen van het Koninkrijk. Volgens het kabinet is het culturele aanbod in Nederland in algemene zin goed gespreid, maar zijn er verschillen tussen regio’s en mogelijkheden voor verbetering.
De minister wil daarom nieuwe afspraken maken met provincies en gemeenten over samenwerking en verantwoordelijkheden. Daarnaast wordt onderzocht hoe vanaf 2029 gericht kan worden geïnvesteerd in regionale culturele infrastructuren.
Uit de onderliggende stukken blijkt dat het hierbij vooralsnog niet gaat om wettelijke taken voor gemeenten en provincies, maar om een herziening van bestaande interbestuurlijke afspraken. Ook wordt verkend of medeoverheden meer invloed kunnen krijgen op de besteding van een deel van de rijksmiddelen voor regionale culturele infrastructuur.
Langere subsidietermijnen en vereenvoudiging
Het kabinet werkt daarnaast verder aan een wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid waardoor subsidies voor maximaal acht jaar kunnen worden verstrekt. Het doel daarvan is om voor een deel van de culturele organisaties meer continuïteit en minder aanvraagdruk te creëren.
Bij de rijkscultuurfondsen moet ruimte blijven bestaan voor zowel langjarige als korter lopende subsidies. Daarmee moet volgens het kabinet beter kunnen worden aangesloten bij de verschillende ontwikkelingsfasen van makers en organisaties.
Grotere rol voor de rijkscultuurfondsen
Een ingrijpender onderdeel van de plannen is de voorgenomen verschuiving van subsidietaken van OCW naar de rijkscultuurfondsen.
Uit de besluitvormingsstukken blijkt dat het uitgangspunt is dat op termijn de subsidieloketten voor de functies binnen de landelijke culturele basisinfrastructuur zoveel mogelijk bij de fondsen worden ondergebracht. Voor specifieke categorieën kan daarvan worden afgeweken als daarvoor zwaarwegende redenen bestaan. Hoe functies precies bij fondsen worden ondergebracht en welke zekerheden daarbij nodig zijn, moet nog worden uitgewerkt.
Daarnaast wil het kabinet het huidige fondsenlandschap herzien. Hiervoor wordt een kwartiermaker aangesteld die, samen met de fondsen, voorstellen moet ontwikkelen voor een toekomstige structuur en een gefaseerde overgang. Daarbij moet de bestaande kennis van afzonderlijke disciplines behouden blijven. Het kabinet kiest daarmee op dit moment niet voor het eerdere voorstel van de Raad voor Cultuur om toe te werken naar één groot Rijkscultuurfonds.
Uitwerking volgt
De precieze inrichting van het nieuwe bestel staat daarmee nog niet vast. De minister wil de komende periode gesprekken voeren met de culturele sector, medeoverheden en de rijkscultuurfondsen. Rond de zomer van 2027 moeten de belangrijkste keuzes worden gemaakt.
Voor podia en festivals zijn met name de uitwerking van de regionale culturele infrastructuur, de positie van presentatie en programmering, de toekomstige taakverdeling tussen OCW en de fondsen en de inrichting van de subsidieregelingen vanaf 2029 van belang.