Minister Van Gennip wil schijnzelfstandigheid breed aanpakken: ‘Misstand in alle sectoren en inkomensgroepen’

“Schijnzelfstandigheid is een misstand op de arbeidsmarkt, verdeeld over de gehele spreiding van inkomens” volgens Van Gennip.

Minister Karien van Gennip (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) ziet dat ‘relatief veel werkenden’ schijnzelfstandige zijn. Dat betekent dat zij werken als zzp’er, terwijl ze volgens de huidige wet- en regelgeving eigenlijk in loondienst moeten zijn. De minister noemt het ‘een misstand’ die ze wil bestrijden.

“Schijnzelfstandigheid is verdeeld over de gehele spreiding van inkomens. Het komt niet alleen voor bij economisch kwetsbaardere groepen of in enkele sectoren”, schrijft Van Gennip in haar antwoord op kamervragen over de handhaving van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA).

Oorzaak 1: onduidelijkheid
Kamerlid Joost Eerdmans (Ja21) schrijft dat onduidelijke wetgeving zelfstandigen beperkt in hun ondernemersvrijheid. Daar is Van Gennip het gedeeltelijk mee eens. Ze benadrukt dat er twee type oorzaken zijn van schijnzelfstandigheid.

Ten eerste is het soms inderdaad niet duidelijk of een opdrachtgever een werkende mag inhuren als zzp’er, zoals Eerdmans suggereert. “Waar onduidelijkheid van regelgeving leidt tot onzekerheid over de kwalificatie, kan dat de ondernemersvrijheid van werkenden begrenzen”, schrijft Van Gennip. “Dat is ongewenst en daarom heeft het kabinet aangekondigd meer duidelijkheid te bieden.”

Het vorige kabinet heeft stappen gezet, benadrukt ze. Ze wijst op de verduidelijking van de term ‘gezag’ in het Handboek Loonheffingen en de webmodule, een online vragenlijst die opdrachtgevers meer inzicht geeft in de criteria. Volgens Van Gennip kan die tool zaken verhelderen, ook al moet het kabinet nog beslissen of en hoe de webmodule wordt voortgezet.

Oorzaak 2: duidelijk, maar niet wenselijk
Er zijn ook situaties waarin de regels wel duidelijk zijn, maar de werkgever en de werkende ze niet ‘wenselijk’ vinden. Het is dan bijvoorbeeld overduidelijk dat iemand eigenlijk in loondienst moet werken, maar de partijen kiezen toch voor een zzp-constructie.

In dat geval is er geen sprake van ‘beperking van de ondernemersvrijheid’, benadrukt de minister. Anders gezegd: ook als je het er niet mee eens bent, moet je je aan de regels houden.

Willen een werkgever en werknemer toch samenwerken als opdrachtgever en zzp’er? Dan moeten ze op een andere manier samenwerken, zodat we wel aan de wet voldoen. Lukt het niet om de werkwijze te veranderen? Dan moeten ze een dienstbetrekking aangaan, schrijft de minister.

Binnenkort meer duidelijkheid
Deze maand komt minister Van Gennip met een hoofdlijnenbrief over de arbeidsmarkt. Regels voor zzp’ers zijn onderdeel van de brief en het debat. Denk aan de kwalificatie van de arbeidsrelatie (is iemand zzp’er of werknemer?) en de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen.

Die brief komt in elk geval eerder dan 30 juni, zodat zij de plannen kan bespreken tijdens een speciaal commissiedebat over zzp’ers.

Beleidskeuze vanuit visie
Welke oplossingsrichting de minister zal kiezen voor de Wet DBA, is nog niet duidelijk. In haar antwoord op de kamervragen van Ja21 belooft ze in elk geval de bestaande regels te verduidelijken. Ze heeft het niet over een grote wetswijziging.

‘Onwenselijk dus’
In een speech vorige week benadrukte de minister ook al dat ze het ongewenst vindt dat vast personeel in de zorg of in het onderwijs ‘wordt weggekocht om via constructies terug te keren in hetzelfde werk’.

Van Gennip: “Ik zeg het de SER na: we moeten niet willen dat flexibiliteit betekent: ‘beschikbaar voor alles, recht op niets’. Het is waarschijnlijk allemaal legaal, begrijpelijk, maar leidt tot maatschappelijke problemen. […] Onwenselijk dus.”