Raad voor Cultuur
Raad voor Cultuur adviseert verlenging subsidieperiode rijkscultuurbeleid
8 januari 2026
De Raad voor Cultuur heeft op 8 januari 2026 een advies uitgebracht over het conceptwetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid.
In dit voorstel wil het ministerie van Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de beleidscyclus van het rijkscultuurbeleid vanaf 2029 verlengen van vier naar acht jaar. De raad spreekt zijn steun uit voor deze wijziging. Volgens de Raad voor Cultuur biedt een langere beleidscyclus culturele instellingen die direct door het Rijk worden gefinancierd (de zogenoemde kleine BIS) meer ruimte voor artistieke ontwikkeling, innovatie en langetermijnverantwoordelijkheid, bijvoorbeeld op het gebied van talentontwikkeling.
Ook verwacht de raad dat een langere cyclus leidt tot minder administratieve lasten en meer mogelijkheden voor duurzame samenwerking en cofinanciering.
De verlenging naar acht jaar geldt volgens de raad uitsluitend als maximale subsidieperiode voor een beperkt aantal instellingen in de kleine BIS en voor de rijkscultuurfondsen zelf. De fondsen behouden de mogelijkheid om makers en organisaties voor kortere periodes te subsidiëren, met een maximum van vier jaar, zodat flexibiliteit en vernieuwing in het cultuurbestel gewaarborgd blijven.
Daarnaast plaatst de Raad voor Cultuur enkele kanttekeningen bij de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel. Zo vraagt de raad om een duidelijkere afbakening tussen de rol van de kleine BIS en die van de rijkscultuurfondsen, en om een nadere uitwerking van monitoring, evaluatie en mogelijke bijsturing binnen een achtjarige subsidieperiode.
In het advies herhaalt de raad ook eerdere aanbevelingen om aanvullende onderwerpen wettelijk te verankeren, zoals de doelstellingen van het cultuurbeleid, de gezamenlijke verantwoordelijkheid van Rijk, provincies en gemeenten, en structurele indexatie van cultuursubsidies om loon- en prijsstijgingen op te vangen.
Tot slot benadrukt de Raad voor Cultuur dat de voorgestelde wetswijziging vooral moet worden gezien als een eerste stap richting verdere vernieuwing van het Nederlandse cultuurbestel. De raad geeft aan graag betrokken te blijven bij de verdere uitwerking daarvan.