Div
Schijnzelfstandigheid geconstateerd? Dit betekent dat fiscaal voor zzp’ers
8 januari 2026
Wanneer de Belastingdienst vaststelt dat sprake is van schijnzelfstandigheid, wordt in eerste instantie de opdrachtgever aangesproken met een naheffing loonheffingen.
Maar welke fiscale gevolgen kan dit hebben voor de werkende zelf? Hieronder volgt een toelichting.
Met het aflopen van het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 is de Belastingdienst opnieuw gestart met actieve handhaving op de juiste kwalificatie van arbeidsrelaties. Vanaf dat moment kan de fiscus bij opdrachtgevers loonbelasting en sociale premies naheffen als een ingehuurde zzp’er volgens de Belastingdienst feitelijk als werknemer moet worden aangemerkt.
Het kalenderjaar 2025 fungeert als overgangsjaar, bedoeld als een zogenoemde ‘zachte landing’ naar volledige handhaving. Deze benadering wordt grotendeels voortgezet in 2026. Dat betekent echter niet dat er minder wordt gecontroleerd of dat naheffingen achterwege blijven.
Over de consequenties van deze handhaving voor opdrachtgevers is inmiddels veel gepubliceerd. Minder aandacht is er voor de mogelijke gevolgen voor de werkende zelf, met name op fiscaal terrein. De Belastingdienst heeft hierover recent een toelichtende webpagina gepubliceerd. Dat biedt aanleiding om de belangrijkste aandachtspunten overzichtelijk uiteen te zetten en van context te voorzien.
Geen handhavingsmoratorium voor de zzp’er
Vooraf zijn enkele uitgangspunten van belang:
- De controles op schijnzelfstandigheid zijn primair gericht op opdrachtgevers. De handhavingsstrategie en beschikbare controlecapaciteit van de Belastingdienst zijn volledig toegespitst op de vraag of opdrachtgevers correcte aangiften loonheffingen hebben gedaan. Bij werknemers moeten immers loonheffingen worden ingehouden, bij zelfstandigen niet.
- Het handhavingsmoratorium gold en geldt uitsluitend voor opdrachtgevers, niet voor zzp’ers zelf.
- Zelfstandigen kunnen wel steekproefsgewijs worden gecontroleerd in het kader van reguliere aangiftecontroles. Als daarbij blijkt dat iemand ten onrechte als ondernemer aangifte heeft gedaan, kan de Belastingdienst de aangifte corrigeren, bijvoorbeeld door ondernemersaftrekken niet toe te passen. Dergelijke correcties kunnen ook betrekking hebben op jaren vóór 2025, aangezien voor zzp’ers nooit een handhavingsmoratorium van kracht is geweest.
Fiscale gevolgen bij vastgestelde schijnzelfstandigheid
Wat gebeurt er wanneer de Belastingdienst bij een opdrachtgever vaststelt dat een opdracht achteraf moet worden aangemerkt als een dienstbetrekking?
- De Belastingdienst legt de opdrachtgever een naheffing op voor loonbelasting, premies volksverzekeringen en werkgeverspremies. Vanaf 2027 kan daar tevens een verzuimboete aan worden gekoppeld. Deze naheffing ziet uitsluitend op de periode vanaf 1 januari 2025, omdat daarvoor het moratorium gold.
- De opdrachtgever mag de verschuldigde loonbelasting en premies volksverzekeringen verhalen op de werkende, aangezien dit belastingen betreft die uiteindelijk voor rekening van de werkende komen. Werkgeverspremies en boetes mogen niet worden doorberekend. Wel kan maximaal vijftig procent van de premie Werkhervattingskas (Whk) en de verschuldigde belastingrente worden verhaald.
- Heeft de zzp’er over het betreffende inkomen nog geen inkomstenbelasting betaald, dan kan het verhaalde bedrag worden verrekend in de aangifte inkomstenbelasting. Dubbele belastingheffing is dus niet aan de orde. De aangifte moet in dat geval wel plaatsvinden als werknemer en niet als ondernemer, althans voor het deel dat ziet op deze werkzaamheden.
- Is over het inkomen al definitief inkomstenbelasting betaald, dan volgt voor datzelfde bedrag geen naheffing loonbelasting en premies volksverzekeringen bij de opdrachtgever. Wel kunnen nog naheffingen plaatsvinden voor werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. In dat geval hoeft er niets te worden verhaald op de werkende.
Herziening van de inkomstenbelasting
De kernvraag is vervolgens of de werkende over het betreffende jaar de juiste belasting heeft betaald.
Wie aangifte doet als ondernemer kan kosten aftrekken en gebruikmaken van fiscale faciliteiten zoals zelfstandigenaftrek, investeringsaftrek en de mkb-winstvrijstelling. Deze voordelen gelden niet voor werknemers.
Als achteraf wordt vastgesteld dat iemand geen ondernemer was maar werknemer, kan dat aanleiding zijn voor een herbeoordeling van de aangifte inkomstenbelasting. Een nieuw feit kan leiden tot een navorderingsaanslag, omdat fiscale ondernemersfaciliteiten en kostenaftrek ten onrechte zijn toegepast.
In de praktijk resulteert dit vaak in een hogere aanslag, mogelijk aangevuld met een verzuimboete wegens een onjuiste aangifte of het te laat of te weinig betalen van belasting.
Daar staat tegenover dat werknemers geen inkomensafhankelijke bijdrage Zvw betalen; die is voor rekening van de werkgever. Bij een herberekening kan dit voor de voormalig zzp’er een financieel voordeel opleveren. Dit voordeel weegt echter doorgaans niet op tegen het wegvallen van de ondernemersaftrekken.
Belangrijk is dat het handhavingsmoratorium niet geldt voor herbeoordelingen van aangiften van werkenden. Het is daarom mogelijk dat een opdrachtgever over de periode vóór 2025 geen naheffing krijgt, terwijl de werkende over diezelfde jaren wel een hogere aanslag ontvangt.
Meerdere opdrachtgevers
Wanneer een ondernemer meerdere opdrachtgevers heeft en slechts één opdracht als dienstbetrekking wordt aangemerkt, kan die specifieke opdracht in bepaalde gevallen toch meetellen voor de inkomstenbelasting als ondernemersactiviteit. Dat is bijvoorbeeld relevant voor het voldoen aan het urencriterium.
Dit is alleen toegestaan als de werkzaamheden in loondienst nauw samenhangen met de overige ondernemingsactiviteiten en duidelijk ondergeschikt zijn aan het zelfstandige werk, bijvoorbeeld bij een beperkte opdrachtomvang. Deze mogelijkheid bestaat al langer en is geen nieuwe regeling.
Aanspraak op werknemersrechten
Voor sommige werkenden is de vaststelling van schijnzelfstandigheid positief, omdat zij liever in loondienst zouden werken. Tegelijkertijd geldt dat het merendeel van de zzp’ers juist bewust voor zelfstandigheid kiest. In beide gevallen ontstaat bij vastgestelde schijnzelfstandigheid een aparte juridische situatie.
Een fiscale kwalificatie door de Belastingdienst betekent niet automatisch dat er arbeidsrechtelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dat is een civielrechtelijke kwestie tussen opdrachtgever en werkende, waarbij onder meer relevant is of de samenwerking nog voortduurt op het moment van vaststelling.
Wel geldt dat een fiscale constatering van schijnzelfstandigheid de positie van de werkende versterkt bij het claimen van werknemersrechten, zoals vakantiegeld, vakantiedagen, pensioenopbouw en eventuele cao-rechten. Ook voor deze aanspraken geldt geen handhavingsmoratorium.
Hoe groot is de impact in de praktijk?
Eind 2025 verschenen de eerste berichten over opgelegde naheffingen. Verwacht mag worden dat dit in de loop van 2026 vaker zal voorkomen, zij het voor een relatief beperkte groep zzp’ers.
Of deze gevallen ook leiden tot grootschalige herzieningen van reeds vastgestelde aangiften, is nog onzeker. Naheffingen die nu worden opgelegd zien vooral op 2025, een jaar waarover nog geen aangifte is gedaan. Teruggaan naar eerdere jaren vereist het heropenen van afgeronde dossiers, wat arbeidsintensief is en niet past bij het uitgangspunt van een geleidelijke invoering.
Daarbij komt dat een herziening over oudere jaren ook andere gevolgen kan hebben: een voormalig zzp’er die fiscale voordelen moet terugbetalen, kan geneigd zijn om over diezelfde periode alsnog werknemersrechten te claimen. Dat maakt de afweging voor de Belastingdienst complex.