AWVN
Sira: meer zekerheid nodig bij zzp-inhuur
29 juli 2026
Werkgevers ervaren de regels rond het inhuren van zelfstandigen als een van de lastigst uitvoerbare onderdelen van het werkgeverschap.
Dat blijkt uit onderzoek van Sira Consulting in opdracht van werkgeversvereniging AWVN. Om de onzekerheid en administratieve lasten rond zzp-inhuur te verminderen, doet het onderzoeksbureau drie concrete voorstellen: een onafhankelijke toetsingscommissie, een vernieuwde vorm van modelovereenkomsten en een duidelijke afbakening van sectoren of situaties waarin inzet van zelfstandigen niet passend is.
Volgens Sira is vooral de huidige onzekerheid over de vraag wanneer iemand daadwerkelijk als zelfstandige kan worden ingehuurd problematisch. Werkgevers lopen het risico dat een arbeidsrelatie achteraf toch als dienstverband wordt aangemerkt, terwijl vooraf vaak moeilijk is vast te stellen waar precies de grens ligt.
Vooraf duidelijkheid over de arbeidsrelatie
Een van de voorstellen is de instelling van een onafhankelijke commissie die vooraf en bindend kan beoordelen of een arbeidsrelatie als zelfstandige opdracht kan worden ingericht.
Een dergelijk systeem sluit aan bij ideeën die eerder zijn genoemd in het kader van de Zelfstandigenwet. Ook België kent een vergelijkbare constructie. Daar beoordeelt de Administratieve Commissie ter regeling van de arbeidsrelatie of sprake is van zelfstandig ondernemerschap of van een arbeidsovereenkomst.
Volgens Sira kan zo’n voorafgaande beoordeling werkgevers en zelfstandigen meer rechtszekerheid bieden en tegelijkertijd de administratieve belasting verminderen.
Minister Aartsen liet begin juni weten dat een sectorale toets en een afzonderlijke toetsingscommissie voorlopig niet worden meegenomen in de verdere behandeling van de Zelfstandigenwet. De reden daarvoor is dat de invoering van die wet niet verder vertraagd moet worden.
Modelovereenkomsten in een aangepaste vorm
Daarnaast pleit Sira ervoor om opnieuw gebruik te maken van modelovereenkomsten.
Die systematiek werd ingevoerd na het verdwijnen van de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR). Opdrachtgever en zelfstandige konden met een vooraf door de Belastingdienst beoordeelde overeenkomst afspraken vastleggen die duidelijk moesten maken dat geen sprake was van een dienstbetrekking.
In de praktijk bleek het systeem echter moeilijk beheersbaar. Er werden zeer veel overeenkomsten ter beoordeling aangeboden en volgens de Belastingdienst kwam bovendien te veel nadruk te liggen op de formulering van het contract, terwijl voor de fiscale beoordeling juist ook van belang is hoe partijen feitelijk samenwerken.
Het huidige systeem wordt daarom afgebouwd. Sinds september 2024 beoordeelt de Belastingdienst geen nieuwe modelovereenkomsten meer. Reeds goedgekeurde overeenkomsten kunnen nog tot en met 31 december 2029 worden gebruikt.
Sira vindt dat daarmee mogelijk ook een nuttig instrument verloren gaat. Een goed ingericht systeem kan immers vooraf zekerheid geven over de arbeidsrelatie.
Het onderzoeksbureau ziet mogelijkheden voor een verbeterde versie waarbij niet alleen naar de overeenkomst wordt gekeken, maar ook steekproefsgewijs wordt gecontroleerd of de praktijk aansluit bij de gemaakte afspraken. Werkgevers die aantoonbaar volgens de regels handelen, zouden vervolgens minder administratieve controles kunnen krijgen. Zo kan volgens Sira een combinatie ontstaan van rechtszekerheid en beperkte administratieve lasten.
Sommige vormen van zzp-inzet vooraf uitsluiten
Het derde voorstel is om duidelijker vast te leggen in welke sectoren of situaties werkzaamheden in beginsel niet door zelfstandigen zouden moeten worden uitgevoerd.
Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan structureel werk dat onder directe leiding en toezicht plaatsvindt, of aan werkzaamheden die nauw verbonden zijn met de kernactiviteiten van bepaalde sectoren. Sira noemt onder meer zorg, onderwijs, openbaar vervoer en beveiliging.
Een heldere afbakening kan volgens het onderzoeksbureau voorkomen dat per individuele arbeidsrelatie langdurige discussies ontstaan over de juridische status van een werkende. Voorwaarde is wel dat het om duidelijke en breed gedragen categorieën gaat.
Het idee vertoont overeenkomsten met andere maatregelen waarbij bepaalde arbeidsconstructies in risicosectoren worden beperkt. Zo besloot het kabinet begin juli dat uitzendkrachten vanaf 2028 niet langer mogen worden ingezet in de vleesverwerkende industrie.
Sira noemt ook een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst als mogelijk alternatief voor een volledig verbod op zelfstandige inzet.
In België geldt zo’n rechtsvermoeden al in onder andere de bouw, beveiliging, schoonmaak, land- en tuinbouw, personen- en goederenvervoer en platformwerk. Ook Nederland werkt aan een rechtsvermoeden van werknemerschap voor platformwerkers. Daarnaast is voorzien dat vanaf 1 januari 2027 een rechtsvermoeden gaat gelden voor werkenden die voor minder dan € 39 per uur worden ingehuurd.
Onderdeel van bredere aanpak regeldruk
De voorstellen voor zzp-inhuur maken deel uit van een pakket van 21 aanbevelingen waarmee AWVN de regeldruk voor werkgevers wil verminderen.
Voor het onderzoek bracht Sira Consulting de wettelijke verplichtingen in kaart waarmee een fictieve, maar representatieve middelgrote werkgever te maken krijgt. Het ging daarbij om een internationaal opererende industriële onderneming met 250 werknemers.
In totaal werden 67 verplichtingen onderzocht. Daarvan werd 33 procent als goed uitvoerbaar beoordeeld. Nog eens 52 procent werd als redelijk werkbaar aangemerkt. De resterende 15 procent viel in de categorie slecht of niet goed uitvoerbaar.
De regelgeving rond zzp-inhuur behoort tot die laatste categorie. Andere voorbeelden zijn de procedure rond ouderschapsverlof, de begeleiding van medewerkers die onvoldoende functioneren en ontslagprocedures via de kantonrechter.
Voor elf van de onderzochte verplichtingen werkte Sira in totaal 21 voorstellen uit om de kosten en administratieve belasting voor werkgevers te verminderen.
Volgens de berekeningen uit het onderzoek is een middelgrote werkgever jaarlijks ruim € 1,1 miljoen kwijt aan het naleven van wettelijke werkgeversverplichtingen. Ongeveer een vijfde daarvan bestaat uit interne personeelskosten, bijvoorbeeld voor HR-medewerkers. Circa 80 procent bestaat uit externe kosten, zoals het inschakelen van deskundigen of het betalen van een transitievergoeding.
AWVN schat de totale kosten van regeldruk voor het Nederlandse midden- en kleinbedrijf op meer dan € 20 miljard per jaar.
Rapport sluit aan bij kabinetsplannen
De publicatie sluit aan bij het voornemen van het kabinet om de regeldruk voor bedrijven en werkgevers te verminderen. In het coalitieakkoord ‘Aan de slag: bouwen aan een beter Nederland’ is aangekondigd dat het kabinet daar nadrukkelijk werk van wil maken.
Volgens AWVN behoort regeldruk al langere tijd tot de belangrijkste knelpunten die werkgevers ervaren.
Op 6 juli 2026 overhandigde AWVN-directeur Lisette van Breugel het onderzoeksrapport en een begeleidende brochure aan de ministers Heleen Herbert van Economische Zaken en Thierry Aartsen van Werk en Participatie. Aartsen is binnen het kabinet verantwoordelijk voor de regelgeving rond het inhuren van zelfstandigen.
AWVN erkent dat niet alle voorstellen op korte termijn kunnen worden ingevoerd. Sommige aanbevelingen vragen om wetswijzigingen of overleg tussen kabinet en sociale partners.
De werkgeversvereniging wil echter dat maatregelen die vooral bestaande regels verduidelijken of procedures vereenvoudigen zo snel mogelijk worden opgepakt. De drie voorstellen rond zzp-inhuur behoren volgens AWVN tot die categorie.
De centrale gedachte achter het rapport is dat de ervaren regeldruk lang niet altijd voortkomt uit het beleidsdoel van een regel. Vaak zit het probleem vooral in de manier waarop regels worden uitgevoerd. Juist daar zijn volgens AWVN relatief snel verbeteringen mogelijk.