Wijziging regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19 i.v.m. vierde aanvullend steunpakket

Bij brief van 27 mei 2021 heeft het kabinet een vierde aanvullend coronasteunpakket voor de culturele en creatieve sector aangekondigd.

Zie hier de regeling.

De Kamerbrief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 juni 20212 bevat de uitwerking van dat pakket: onder meer € 45 miljoen is vrijgemaakt voor cultuurproducerende instellingen die meerjarig worden gesubsidieerd door het rijk en door de rijkscultuurfondsen, en voor instellingen die subsidie ontvangen via de Erfgoedwet, en
€ 25 miljoen voor een verlenging van de directe steun via de rijkscultuurfondsen aan makers. Deze wijzigingsregeling strekt tot opname in de Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19 (hierna: RAOCCC) van de benodigde wettelijke grondslag voor de verstrekking van de steun.

Uitgangspunten
De berekening van de aanvullende steun voor cultuurproducerende instellingen volgt de uitgangspunten van de eerdere steunpakketten. Verwezen zij naar paragraaf 2 van de brief van 7 juni 2021; de uitgangspunten die daarin zijn opgesomd, zijn verwerkt in het nieuwe hoofdstuk 3a1 en de nieuwe paragraaf 2b van hoofdstuk 4 van de RAOCCC. Daar waar bij de eerdere steunpakketten de jaren 2017 en 2018 de referentiejaren vormen voor de bepaling van de inkomstendaling van instellingen, zijn dat bij het vierde steunpakket de jaren 2018 en 2019. Daarnaast schuift onder meer ook het peiljaar voor de eigeninkomstendrempel (wederom komen alleen instellingen die minimaal 15 procent aan eigen inkomsten hadden, in aanmerking voor de aanvullende steun) één jaar op: bepalend zijn de resultaten over 2019 en niet langer die van 2018.
Ook de systematiek van de verstrekking van de makersmiddelen, via de rijkscultuurfondsen, volgt de uitgangspunten van de eerdere steunpakketten. De bepalingen zijn opgenomen in de nieuwe paragraaf 4a2 van hoofdstuk 4 van de RAOCCC.

Administratieve lasten en uitvoerbaarheid
Evenals de subsidies die op grond van de RAOCCC zijn verstrekt in het kader van de eerdere aanvullende steunpakketten, leiden ook de nieuwe subsidies niet tot extra lasten bij de instellingen die ervoor in aanmerking komen. Opnieuw zullen alle subsidies ambtshalve worden verleend. Het doen van een aanvraag is dus niet nodig. Daarnaast geschiedt de verantwoording van de subsidies met de verantwoordingsbescheiden die moeten worden ingediend in het kader van de lopende subsidies.
De uitvoering van de regeling zal ter hand worden genomen door de afdeling Financiën en Control van het Directoraat-Generaal Cultuur en Media van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Deze afdeling heeft de regeling vooraf op uitvoerbaarheid getoetst. Ook is een concept van de regeling voorgelegd aan de Auditdienst Rijk.

Artikelsgewijs

Artikel I
Onderdeel A
Vanwege de gelaagde systematiek van de RAOCCC zijn, in verband met de invoeging van het nieuwe hoofdstuk 3a1 en de nieuwe paragraaf 4a2 van hoofdstuk 4, de definities van 'producerende BIS-instelling', 'meerjarige fondsinstelling' en 'overige OCW-cultuurinstelling' aangepast. Daarnaast is (met terugwerkende kracht tot en met datum van inwerkingtreding van de RAOCCC, Stcrt. 2020, 31493) een onjuiste bronvermelding hersteld, en is – wederom vanwege de gelaagde systematiek van de RAOCCC – voorzien in een nieuwe definitiebepaling die betrekking heeft op de Kamerbrief waarin het kabinet de uitwerking van de maatregelen behorende bij het vierde aanvullend steunpakket heeft gegeven.

Onderdelen B, E en F
Aangezien de rijkscultuurfondsen niet bestede middelen jaarlijks dienen te doteren aan hun bestemmingsfonds OCW, zal reeds op basis van de jaarrekening 2021 duidelijk zijn of sprake is van onderuitputting van de door hen voor het jaar 2021 opengestelde coronaregelingen. Dat maakt het wenselijk dat de aanvraag van de fondsen tot vaststelling van de aanvullende steunmiddelen niet gelijktijdig wordt gedaan met de aanvraag, in 2025, tot vaststelling van hun vierjaarlijkse instellingssubsidie 2021-2024. De wijzigingen, bedoeld in de onderdelen B, E en F voorzien er daarom in, dat de aanvraag tot vaststelling van de RAOCCC-middelen die de fondsen van de minister hebben ontvangen ten behoeve van het jaar 2021, geschiedt met de jaarverantwoordingsbescheiden die zij over dat jaar moeten indienen, en dat de minister bij het besluit tot vaststelling tevens een besluit neemt over de aanwending van dat deel van het bestemmingsfonds OCW dat ultimo 2021 is gevormd, dat bestaat uit RAOCCC-middelen die over zijn. De mogelijkheid tot terugvordering is daarmee naar voren gehaald.
Aan deze wijzigingen is terugwerkende kracht gegeven tot en met de datum van inwerkingtreding van de regeling tot wijziging van de RAOCCC in verband met het tweede steunpakket (Stcrt. 2021, 4353), waarmee voor de eerste maal is voorzien in een grondslag voor verstrekking van makersmiddelen aan fondsen ten behoeve van het jaar 2021.

Onderdeel C
Artikel 7 van de RAOCCC bepaalde, dat artikel 2.29 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid van overeenkomstige toepassing is op de vaststelling van de RAOCCC-subsidies. Ten aanzien van de rijkscultuurfondsen was daarmee abusievelijk het gehele artikel, dus ook het tweede lid daarvan, van overeenkomstige toepassing verklaard. Dat tweede lid van artikel 2.29 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid is echter niet relevant voor de fondsen, aangezien het betrekking heeft op reserverings- en terugvorderingsmogelijkheden die uitsluitend van toepassing zijn op de BIS-instellingen wier vierjaarlijkse instellingssubsidie is gebaseerd op artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (de fondsen ontvangen hun vierjaarlijkse instellingssubsidie op grond van artikel 4c van die wet).
Aan deze wijziging is terugwerkende kracht gegeven tot en met de datum van inwerkingtreding van de RAOCCC (Stcrt. 2020, 31493).

Onderdelen D, G en H
Zie paragraaf 2 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel II
Evenals bij de RAOCCC zelf het geval was, treedt deze wijzigingsregeling, in afwijking van het beleid ten aanzien van de zogenoemde vaste verandermomenten (Aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving), in werking op de eerst mogelijke datum. Wederom wordt immers beoogd aanmerkelijke ongewenste private of publieke voor- of nadelen te voorkomen.
Op de terugwerkende kracht waarin op onderdelen is voorzien, is eerder in deze artikelsgewijze toelichting reeds ingegaan.