AWVN
Zorgen over verhoging minimumjeugdloon: beperkte effectiviteit, brede gevolgen
14 januari 2026
Werkgeversorganisaties VNO-NCW, MKB-Nederland en AWVN (VNPF en WNPF zijn lid van laatste twee) hebben gereageerd op de internetconsultatie over de voorgenomen verhoging van het minimumjeugdloon per 1 januari 2027.
De maatregel beoogt de jeugdstaffels van het wettelijk minimumloon aan te passen via een algemene maatregel van bestuur (AMvB). Volgens de organisaties brengt het voorstel aanzienlijke risico’s met zich mee, terwijl het verwachte effect beperkt is. Nederland kent een hoge arbeidsparticipatie onder jongeren. Veel jongeren doen via werk waardevolle ervaring op en leveren een bijdrage aan de economie.
Tegelijkertijd blijkt uit onderzoek van het ministerie van SZW dat de voorgestelde verhoging slechts een kleine groep jongeren daadwerkelijk helpt bij hun bestaanszekerheid. Het gaat om jongeren die rond het minimumjeugdloon verdienen, (bijna) voltijds werken, geen opleiding volgen en niet meer thuis wonen. Naar schatting betreft dit slechts 3 tot 6 procent van de werkende jongeren.
Druk op loonstructuren en cao’s
De voorgestelde verhoging kan daarentegen brede gevolgen hebben voor werkgevers, met name in sectoren waar relatief veel jongeren werken, zoals horeca, detailhandel en de culturele en creatieve sector. In veel cao’s liggen de lonen voor jongeren inmiddels al boven het wettelijk minimumjeugdloon, bijvoorbeeld bij functies waarin bijna of volledig voltijds wordt gewerkt.
Voor sectoren met een eigen cao, zoals de cao Nederlandse Poppodia en -Festivals, speelt bovendien dat opeenvolgende verhogingen van het WML en het minimumjeugdloon het loongebouw onder druk zetten. Door stijgende ondergrenzen schuiven loonschalen steeds dichter naar elkaar toe, waardoor het onderscheid tussen functies, ervaring en verantwoordelijkheden vervaagt. Dat maakt het lastiger om evenwichtige en uitlegbare loonstructuren te handhaven.
Risico’s voor werk- en leerplekken
De werkgeversorganisaties wijzen daarnaast op mogelijke onbedoelde neveneffecten. Hogere loonkosten kunnen ertoe leiden dat werkgevers terughoudender worden in het aannemen van jongeren, juist voor bijbanen of leerwerkplekken. Dit raakt vooral jongeren die werk combineren met onderwijs, of die via een leerwerktraject (zoals de BBL) praktijkervaring opdoen.
In dat kader uiten de organisaties ook zorgen over het voornemen om de specifieke BBL-staffel af te schaffen. In combinatie met de verhoging van het minimumjeugdloon leidt dit tot een dubbele kostenstijging voor BBL-plekken. Omdat BBL-leerlingen intensieve begeleiding nodig hebben en vaak meerjarige afspraken kennen, kan dit het aanbod aan opleidingsplaatsen onder druk zetten. Juist die plekken zijn van groot belang voor instroom en vakontwikkeling op de langere termijn.
Oproep tot heroverweging
VNO-NCW, MKB-Nederland en AWVN pleiten voor een heroverweging van de maatregel. Zij roepen op om de doelen van de AMvB opnieuw te toetsen aan bestaand onderzoek en de verwachte negatieve effecten, en om te kijken naar meer gerichte alternatieven voor de kleine groep jongeren die financieel kwetsbaar is. Denk daarbij aan specifieke inkomensondersteuning of maatregelen gericht op woon- en leefkosten, in plaats van generieke looningrepen.
Volgens de organisaties blijft het belangrijk om vast te houden aan consistent langetermijnbeleid, waarbij loonvorming primair een zaak is van sociale partners en niet van incidentele overheidsinterventies.