Bron

Rijksoverheid

De voorgestelde Zelfstandigenwet: belangrijkste aandachtspunten voor opdrachtgevers die werken met zzp’ers

6 oktober 2026

Het kabinet heeft een concept voor een nieuwe Zelfstandigenwet gepubliceerd.

Het voorstel bevat criteria waarmee zelfstandigen en opdrachtgevers vooraf meer duidelijkheid kunnen krijgen over de vraag of werkzaamheden buiten een arbeidsovereenkomst kunnen worden uitgevoerd. De wet zou op zijn vroegst op 1 januari 2028 in werking kunnen treden. Het gaat op dit moment nog om een wetsvoorstel. De tekst moet onder meer nog door de Tweede en Eerste Kamer worden behandeld.

Ga hier direct naar:

Waarom wordt een nieuwe wet voorgesteld?

Het kabinet wil met de Zelfstandigenwet meer duidelijkheid bieden over de inzet van zelfstandigen. De discussie over de afbakening tussen zelfstandig werk en werken in loondienst speelt al langere tijd.

Met de nieuwe regeling wil het kabinet enerzijds voorkomen dat opdrachtgevers uit onzekerheid terughoudend zijn bij het inhuren van zelfstandigen. Anderzijds wordt van zelfstandigen verwacht dat zij aantoonbaar als ondernemer opereren en voorzieningen treffen voor de risico’s die bij zelfstandig ondernemerschap horen.

Hoe werkt de voorgestelde wet?

Het voorstel kent twee afzonderlijke toetsen:

  • de zelfstandigentoets
  • de werkrelatietoets.

De zelfstandigentoets richt zich op de vraag of iemand zich in algemene zin als ondernemer gedraagt.

De werkrelatietoets heeft betrekking op een concrete opdracht en beoordeelt of de zelfstandige die opdracht voldoende zelfstandig en buiten een gezagsverhouding kan uitvoeren.

Wanneer aan alle voorwaarden van beide toetsen wordt voldaan en partijen ook daadwerkelijk volgens die afspraken werken, ontstaat een zogenoemde veilige haven. Daarmee krijgen opdrachtgever en zelfstandige vooraf meer zekerheid dat de werkzaamheden als zelfstandige kunnen worden uitgevoerd, zonder dat achteraf vanwege schijnzelfstandigheid naheffingen of boetes volgen. Daarbij gelden enkele belangrijke uitgangspunten.

De toepassing van deze regeling is niet verplicht. Partijen kunnen ervoor kiezen er gebruik van te maken wanneer zij vooraf zekerheid willen.

Alle criteria moeten worden gehaald. Er is geen onderlinge weging waarbij het voldoen aan het ene criterium het niet voldoen aan een ander criterium kan compenseren.

De feitelijke uitvoering van de opdracht blijft bepalend. Wanneer tijdens de opdracht niet langer aan een criterium wordt voldaan, kan de zekerheid van de veilige haven vanaf dat moment vervallen.

Het niet voldoen aan de voorwaarden betekent bovendien niet automatisch dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. In dat geval moet de arbeidsrelatie worden beoordeeld aan de hand van de reguliere wettelijke regels en jurisprudentie.

Voor welke situaties is de wet bedoeld?

De Zelfstandigenwet is vooral bedoeld voor situaties waarin twijfel kan bestaan over de kwalificatie van een arbeidsrelatie. In andere situaties is de behoefte aan zo’n voorafgaande beoordeling veel kleiner. Dat geldt bijvoorbeeld voor zelfstandigen die:

  • werkzaamheden verrichten voor particulieren
  • producten verkopen;
  • eenmalige of kortdurende specialistische diensten aan bedrijven leveren;
  • werk uitvoeren dat duidelijk als zelfstandige opdracht buiten de organisatie is uitbesteed.

Bij dit soort werkzaamheden bestaat doorgaans minder discussie over de vraag of feitelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst.

De zelfstandigentoets

De zelfstandigentoets beoordeelt of iemand zich in het economisch verkeer daadwerkelijk als zelfstandig ondernemer gedraagt. Deze toets staat los van één specifieke opdracht.

1) Basisvoorwaarden voor zelfstandig ondernemerschap

Een zelfstandige moet beschikken over een aantal kenmerken die bij zelfstandig ondernemerschap horen. In het voorstel worden onder andere genoemd:

  • inschrijving bij de Kamer van Koophandel;
  • een btw-nummer;
  • een afzonderlijke bankrekening voor zakelijke transacties;
  • verantwoordelijkheid voor de eigen facturatie, ook wanneer de feitelijke administratie door een ander wordt uitgevoerd;
  • het hanteren van betalingstermijnen richting klanten en opdrachtgevers;
  • zelf betalingen verrichten aan derden en aansprakelijk kunnen worden gehouden bij te late betaling;
  • in een periode van twee jaar ten minste drie klanten hebben gehad.

Voor die periode van twee jaar wordt gekeken naar het lopende en het voorafgaande kalenderjaar.

Het uitgangspunt is dat een zelfstandige aantoonbaar economisch onafhankelijk opereert en niet volledig afhankelijk is van één opdrachtgever.

De eis van drie klanten betekent niet dat iedere twee jaar drie nieuwe klanten nodig zijn. Een langdurige relatie met één opdrachtgever blijft mogelijk, zolang daarnaast ook werkzaamheden voor andere opdrachtgevers worden uitgevoerd.

De omzet van de tweede en derde opdrachtgever moet wel een zekere omvang hebben. Het is niet de bedoeling dat zeer beperkte opdrachten uitsluitend worden gebruikt om formeel aan de eis van meerdere opdrachtgevers te voldoen.

Wanneer iemand via één intermediair bij verschillende organisaties opdrachten uitvoert, geldt die intermediair binnen het huidige voorstel als één opdrachtgever.

2) Voorzieningen voor ondernemersrisico’s

Een tweede onderdeel van de zelfstandigentoets is dat zelfstandigen financiële voorzieningen treffen voor risico’s die samenhangen met zelfstandig ondernemerschap.

Het voorstel gaat uit van een jaarlijks te besteden minimumbedrag. De hoogte daarvan is nog niet vastgesteld. Gedacht wordt aan een vast bedrag dat niet afhankelijk is van omzet of uurtarief.

Dat bedrag kan onder meer worden besteed aan:

  • een verzekering voor langdurige arbeidsongeschiktheid;
  • een voorziening voor kortdurende ziekte, zoals een schenkkring of vergelijkbare voorziening;
  • pensioenopbouw;
  • een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering;
  • een bedrijfsschadeverzekering;
  • een beroepsaansprakelijkheidsverzekering;
  • een zakelijke rechtsbijstandverzekering.

De zelfstandige kan zelf bepalen hoe het bedrag over dergelijke voorzieningen wordt verdeeld.

Het opbouwen van vrij vermogen, bijvoorbeeld in box 3, telt volgens het huidige voorstel niet mee als voorziening in de zin van deze toets.

Wie beoordeelt de zelfstandigentoets?

Een opdrachtgever kan een zelfstandige vragen aan te tonen dat aan de voorwaarden wordt voldaan.

Een zelfstandige kan daarvoor ook zelf vooraf een verklaring met bewijsstukken opstellen. Daarnaast wordt voorzien in de mogelijkheid van een verklaring van een onafhankelijke derde, bijvoorbeeld een accountant of boekhouder.

De overheid zal dergelijke verklaringen niet zelf vooraf afgeven.

De werkrelatietoets

Naast de algemene toets op ondernemerschap wordt per concrete opdracht beoordeeld hoe de samenwerking tussen opdrachtgever en zelfstandige is ingericht.

De werkrelatietoets kent vier centrale voorwaarden:

  1. beide partijen willen de werkzaamheden buiten een arbeidsovereenkomst uitvoeren;
  2. de zelfstandige bepaalt in voldoende mate zelf hoe het werk wordt uitgevoerd;
  3. de zelfstandige heeft voldoende vrijheid bij het bepalen van werktijden en werklocatie;
  4. de zelfstandige werkt voor eigen rekening en risico.

1) De bedoeling van beide partijen

Opdrachtgever en zelfstandige moeten vooraf expliciet met elkaar afspreken dat zij de werkzaamheden buiten een werkgever-werknemerrelatie willen uitvoeren.

Die afspraak is op zichzelf niet voldoende. De manier waarop partijen feitelijk samenwerken blijft bepalend. Alleen in een overeenkomst opnemen dat iemand als zelfstandige werkt, is daarom niet genoeg.

2) Vrijheid bij de uitvoering van het werk

De zelfstandige moet in beginsel zelf kunnen bepalen hoe de werkzaamheden worden uitgevoerd.

Een opdrachtgever mag wel afspraken maken over wat moet worden opgeleverd en welke resultaten worden verwacht. Het onderscheid ligt daarmee tussen het bepalen van het gewenste resultaat en het voorschrijven van de manier waarop dat resultaat moet worden bereikt.

Ook zelfstandigen kunnen zich moeten houden aan protocollen, veiligheidsvoorschriften, bedrijfsregels of sectorale afspraken. Dat is mogelijk wanneer die regels niet uitsluitend voortkomen uit de hiërarchische verhouding tussen werkgever en werknemer, maar bijvoorbeeld gelden voor iedereen die op een locatie werkzaamheden verricht.

Wanneer binnen dezelfde organisatie ook werknemers vergelijkbaar werk uitvoeren, moet de zelfstandige bij de organisatie van het werk aantoonbaar meer vrijheid hebben.

De precieze scheidslijn tussen toegestane afspraken over het resultaat en instructies over de uitvoering zal in de praktijk per situatie moeten worden beoordeeld.

3) Vrijheid ten aanzien van tijd en locatie

Als uitgangspunt geldt dat een zelfstandige zelf bepaalt wanneer en waar werkzaamheden worden uitgevoerd.

Dat betekent niet dat afspraken over tijd en plaats volledig zijn uitgesloten.

Het voorstel houdt rekening met werkzaamheden die noodzakelijkerwijs aan een bepaalde locatie of een bepaald tijdstip zijn gebonden. Wanneer het afgesproken resultaat alleen op een bepaalde plaats of binnen bepaalde tijden kan worden bereikt, kunnen hierover afspraken worden gemaakt.

Ook in dergelijke situaties moet de zelfstandige waar mogelijk meer ruimte houden voor de eigen tijdsindeling dan werknemers die vergelijkbare werkzaamheden verrichten.

Het enkele feit dat werkzaamheden locatiegebonden zijn, sluit zelfstandig ondernemerschap volgens het voorstel dus niet uit.

4) Werken voor eigen rekening en risico

Een zelfstandige moet ook de financiële en zakelijke risico’s dragen die bij ondernemerschap horen.

Daarvoor is het van belang dat vooraf een concreet resultaat wordt afgesproken.

De zelfstandige moet in enige mate invloed kunnen hebben op de financiële uitkomst van de opdracht. Wanneer een opdracht bijvoorbeeld efficiënter of sneller wordt uitgevoerd, kan dat financieel voordeel opleveren. Wanneer meer tijd of kosten nodig zijn om het afgesproken resultaat te behalen, ligt dat risico in beginsel bij de zelfstandige.

Ook andere ondernemersrisico’s spelen mee, bijvoorbeeld:

  • aansprakelijkheid voor veroorzaakte schade;
  • het risico dat extra werkzaamheden nodig zijn om het overeengekomen resultaat te leveren;
  • extra kosten die voor rekening van de zelfstandige komen;
  • aansprakelijkheid wanneer de opdracht niet of niet deugdelijk wordt uitgevoerd.

Dit vraagt in veel gevallen om een meer resultaatgerichte formulering van opdrachten.

Met name bij interimwerk of opdrachten waarbij een zelfstandige tijdelijk binnen een bestaand team werkt, kan het nodig zijn om duidelijker te omschrijven welk concreet resultaat de zelfstandige moet opleveren.

Een opdracht waarbij een zelfstandige uitsluitend tijdelijk het volledige takenpakket van een werknemer overneemt, past daardoor minder gemakkelijk binnen deze systematiek. In zo’n situatie zal duidelijk moeten worden gemaakt welk zelfstandig resultaat wordt gevraagd.

Wie beoordeelt de werkrelatietoets?

De werkrelatietoets wordt per opdracht door opdrachtgever en opdrachtnemer gezamenlijk ingevuld.

Zij moeten de afspraken vooraf vastleggen en vervolgens ook in overeenstemming met die afspraken werken.

Toezichthoudende instanties, waaronder de Belastingdienst en de Arbeidsinspectie, behouden de mogelijkheid om achteraf te controleren of de feitelijke uitvoering overeenkomt met de gemaakte afspraken.

Wat gebeurt er als niet aan alle criteria wordt voldaan?

Het niet voldoen aan alle voorwaarden van de Zelfstandigenwet betekent niet dat iemand niet meer als zelfstandige kan werken.

Volgens onderzoek van het ministerie voldoet naar verwachting ongeveer twee derde tot drie kwart van de huidige zelfstandigen al aan de voorgestelde criteria of kan daar met beperkte aanpassingen aan voldoen.

Wie aan alle voorwaarden voldoet, kan gebruikmaken van de vooraf geboden zekerheid van de veilige haven.

Wanneer niet aan alle criteria wordt voldaan, blijft zelfstandig werken mogelijk. De arbeidsrelatie wordt dan beoordeeld aan de hand van de bestaande wetgeving en rechtspraak. De extra zekerheid vooraf die de Zelfstandigenwet beoogt te bieden, geldt dan niet.

Geldt de wet ook voor zelfstandigen met een BV?

Ja. In het voorstel wordt geen onderscheid gemaakt tussen ondernemers die voor de inkomstenbelasting als ondernemer werken, bijvoorbeeld vanuit een eenmanszaak, en zelfstandigen die werkzaamheden vanuit een BV uitvoeren.

Ook bij werkzaamheden vanuit een BV kan dus worden beoordeeld of feitelijk sprake is van zelfstandig ondernemerschap of van een arbeidsrelatie.

Verandert de arbeidsrechtelijke bescherming van werknemers?

Nee. De voorgestelde Zelfstandigenwet verandert niets aan de bestaande bescherming die werknemers aan het arbeidsrecht ontlenen.

Rechten zoals het minimumloon, vakantiedagen en andere werknemersrechten blijven van toepassing wanneer juridisch sprake is van een arbeidsovereenkomst.

Wanneer kan de wet ingaan?

De Zelfstandigenwet kan volgens de huidige planning op zijn vroegst op 1 januari 2028 in werking treden.

Het voorstel doorloopt eerst nog verschillende stappen.

De concepttekst wordt in internetconsultatie gebracht. Belanghebbenden kunnen daarop reageren. Vervolgens moet onder meer advies worden gevraagd aan de Raad van State en moet worden onderzocht of de regeling uitvoerbaar en handhaafbaar is, bijvoorbeeld voor de Belastingdienst en de Arbeidsinspectie.

Daarna volgt de parlementaire behandeling in de Tweede Kamer en vervolgens de Eerste Kamer.

De inhoud van het voorstel kan tijdens dit traject nog veranderen.

Wat betekent het voorstel op dit moment voor opdrachtgevers en zelfstandigen?

De voorgestelde wet leidt op dit moment nog niet tot nieuwe verplichtingen.

Wel wordt onder de bestaande regelgeving al gecontroleerd op schijnzelfstandigheid. Opdrachtgevers en zelfstandigen moeten daarom ook nu beoordelen of hun samenwerking daadwerkelijk past bij zelfstandig ondernemerschap.

Een aantal elementen uit het wetsvoorstel kan ook onder de huidige regels relevant zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor het duidelijk formuleren van zelfstandige, resultaatgerichte opdrachten, het voorkomen van een gezagsverhouding en het daadwerkelijk werken voor eigen rekening en risico.

Het kan daarom verstandig zijn om bestaande en toekomstige overeenkomsten en werkafspraken langs deze uitgangspunten te leggen, zonder vooruit te lopen op de definitieve inhoud van de wet.