Bron

CPB

CPB-raming 2027: loonstijging blijft hoog, arbeidsmarkt krap

16 september 2026

Het Centraal Planbureau (CPB) heeft op Prinsjesdag de Macro Economische Verkenning 2027 gepubliceerd.

De nieuwe raming geeft een actueel beeld van de economie in 2026 en 2027 en bevat relevante informatie voor werkgevers, onder meer over economische groei, inflatie, lonen, koopkracht en de arbeidsmarkt. Het CPB verwacht dat de Nederlandse economie in 2026 met 1,4% groeit en in 2027 met 1,2%. De groei blijft daarmee positief, maar gematigd. Zowel consumptie, investeringen, overheidsuitgaven als uitvoer dragen bij.

Tegelijkertijd blijft het economische beeld onzeker. Internationale handelsspanningen, energieprijzen en financiële onrust kunnen de ramingen beïnvloeden.

Inflatie hoger dan eerder verwacht

De inflatie komt volgens het CPB uit op 3,3% in 2026 en 2,7% in 2027. Dat is hoger dan eerder geraamd. Vooral hogere energie- en brandstofprijzen spelen daarbij een rol en kunnen ook doorwerken in andere prijzen.

Voor cao-onderhandelingen is daarnaast de afgeleide inflatie relevant. Die komt naar verwachting uit op 2,9% in 2026 en 2,7% in 2027.

Cao-lonen blijven stevig stijgen

Voor de marktsector verwacht het CPB een gemiddelde cao-loonstijging van 4,3% in 2026 en 3,8% in 2027. De loongroei neemt dus iets af, maar blijft relatief hoog.

De totale loonvoet bij bedrijven, waarin ook incidentele loonontwikkeling en werkgeverslasten zijn verwerkt, stijgt naar verwachting met 4,5% in 2026 en 4,4% in 2027.

Voor werkgevers blijft het daarom belangrijk om loonontwikkeling niet los te zien van productiviteit, financiële draagkracht en de concurrentiepositie van de eigen organisatie of sector.

Koopkracht vrijwel stabiel

De mediane koopkracht stijgt volgens het CPB in 2026 met 0,6% en daalt in 2027 licht met 0,1%.

Dat de koopkracht nauwelijks verbetert terwijl de lonen harder stijgen dan de inflatie, komt onder meer door hogere lasten in de inkomstenbelasting.

Voor werkgevers is daarbij van belang dat koopkracht niet één-op-één uit loonontwikkeling kan worden afgeleid. Belastingen, toeslagen, pensioenen en andere overheidsmaatregelen spelen eveneens een grote rol.

Arbeidsmarkt blijft krap

De werkloosheid blijft laag: 3,9% in 2026 en 4,0% in 2027. De spanning op de arbeidsmarkt neemt wel iets af doordat het aantal vacatures daalt, maar van een ruime arbeidsmarkt is geen sprake.

Voor werkgevers betekent dit dat personeelsschaarste in veel sectoren waarschijnlijk een belangrijk knelpunt blijft. Groei uitsluitend realiseren door meer mensen aan te nemen blijft daardoor lastig.

Productiviteit wordt steeds belangrijker

De arbeidsproductiviteit bij bedrijven groeit volgens het CPB met 2,5% in 2026 en 1,2% in 2027.

Dat is relevant omdat productiviteitsgroei op langere termijn een belangrijke basis vormt voor duurzame loonstijging en economische groei. Investeringen in technologie, vaardigheden, scholing en organisatie van werk worden daarmee steeds belangrijker.

Werkgeverslasten nemen toe

De overheidsfinanciën verslechteren en het kabinet verhoogt op onderdelen de lasten voor bedrijven. Zo stijgt onder meer de Aof-premie.

Voor werkgevers zijn daarom niet alleen de cao-lonen bepalend voor de arbeidskosten, maar ook premies en andere werkgeverslasten.

Minimumloon naar verwachting verder omhoog

Op basis van de nieuwe cao-loonraming wordt verwacht dat het wettelijk minimumloon per 1 januari 2027 met ongeveer 2,05% stijgt.

Het bruto minimumuurloon zou daarmee toenemen van €14,99 naar ongeveer €15,30. De definitieve indexatie wordt later door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgesteld.

Veerkrachtige economie, maar onzeker beeld

De CPB-raming laat een economie zien die blijft groeien en een arbeidsmarkt die krap blijft. Tegelijkertijd zorgen hogere inflatie, stijgende loonkosten en toenemende werkgeverslasten voor druk op organisaties.

Voor werkgevers bieden de cijfers belangrijke achtergrondinformatie voor begrotingen en arbeidsvoorwaardenonderhandelingen. De specifieke financiële positie, productiviteitsontwikkeling en personele situatie van de eigen organisatie blijven daarbij minstens zo belangrijk als de macro-economische gemiddelden.