pwc.nl
Hoge Raad: geen verlaagd btw-tarief op alcoholisch pauzedrankje
2 april 2026
Op 13 maart 2026 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in een aantal zaken over de btw-behandeling van pauzedrankjes die zijn inbegrepen in de toegangsprijs van een theatervoorstelling.
De kernvraag was of een in de ticketprijs begrepen drankje tijdens de pauze kan worden aangemerkt als een bijkomende prestatie. In dat geval zouden ook alcoholische dranken delen in het verlaagde btw‑tarief van 9% voor de toegang tot theatervoorstellingen.
Wat betekent dit voor jouw organisatie?
De Hoge Raad benadrukt dat een element alleen bijkomend is als het voor de gemiddelde afnemer geen doel op zich vormt, maar puur een middel is om optimaal van de hoofdprestatie gebruik te maken. Dat criterium wordt strikt toegepast. De Hoge Raad overweegt dat het drankje alleen in de pauze en buiten de zaal wordt genuttigd. De uitkomst zou anders kunnen zijn in situaties waarin het extra element nauwer verweven is met de hoofdprestatie en evident slechts ondersteunend is (bijvoorbeeld bepaalde reserverings- of service-elementen), of waarin uit de feiten duidelijk volgt dat de gemiddelde afnemer het extra element niet als zelfstandig doel ervaart.
Voor ondernemingen met gecombineerde pakketten zoals leisure‑arrangementen, evenementen- of hospitalitypakketten en VIP-pakketten is het raadzaam om de btw-behandeling daarvan te (her)beoordelen naar aanleiding van dit arrest van de Hoge Raad.
Achtergrond
Belanghebbende exploiteert een theater en verkoopt toegangskaarten voor voorstellingen. In de kaartprijs is standaard één pauzedrankje inbegrepen, waarbij de bezoeker tijdens de pauze kan kiezen uit alcoholische en niet‑alcoholische dranken. Er is geen optie om een goedkoper kaartje zonder drankje te kopen en bezoekers zonder kaartje hebben geen toegang tot het gebouw. Voor extra consumpties wordt afzonderlijk afgerekend aan de bar.
Voor de gehele ticketprijs paste belanghebbende het verlaagde btw‑tarief toe van 9%, in de veronderstelling dat het pauzedrankje een bijkomende prestatie is bij de toegang tot de theatervoorstelling. De inspecteur stelde daartegenover dat de verstrekking van het alcoholhoudende pauzedrankje een afzonderlijke prestatie vormt, die naar het algemene tarief van 21% is belast.
Het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ging mee met belanghebbende: het hof kwalificeerde de toegang inclusief pauzedrankje als één prestatie, waarbij het drankje als bijkomende prestatie het verlaagde tarief voor de toegang deelde. Het hof kwam daardoor niet meer toe aan de door belanghebbende opgeworpen gelijkheidsargumenten, gebaseerd op het beleidsbesluit over reserveringskosten en garderobe.