Rijskoverheid
Minister Letschert (OCW) reageert op moties over antisemitisme, boycot en programmering in de (pop)culturele sector
12 juni 2026
Poppodia blijven primair zelf verantwoordelijk voor hun programmering.
Dat blijkt uit een brief van minister Letschert van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de Tweede Kamer. In de brief reageert de minister op verschillende toezeggingen en moties over culturele boycots, antisemitisme en de positie van Joodse artiesten in de culturele sector. De brief volgt op eerdere debatten in de Tweede Kamer naar aanleiding van discussies over een culturele boycot van Israël. Dit is al wat ouder nieuws, maar we hadden het nog niet gedeeld.
Voor de VNPF is de brief relevant omdat één van de moties specifiek ging over poppodia. In die motie werd gevraagd om in subsidievoorwaarden van poppodia op te nemen dat antisemitisme niet wordt getolereerd.
Artistieke vrijheid en non-discriminatie
De minister benadrukt dat Nederland een lange traditie kent van een open cultureel klimaat. Artistieke vrijheid is volgens haar een kernwaarde van het cultuurbeleid. Culturele instellingen en makers moeten ruimte hebben om artistieke en inhoudelijke keuzes te maken, ook wanneer maatschappelijke of politieke spanningen daarbij een rol spelen.
Tegelijkertijd stelt de minister duidelijk dat artistieke vrijheid geen vrijbrief is voor discriminatie. Culturele instellingen mogen mensen niet uitsluiten op grond van kenmerken die wettelijk beschermd zijn. Voor antisemitisme is volgens de minister geen plaats in de culturele sector.
Geen algemeen verbod op landenboycot
Een belangrijk onderdeel van de brief gaat over de vraag of culturele instellingen via subsidievoorwaarden kunnen worden verplicht om geen landen uit te sluiten. De minister acht zo’n algemene verplichting juridisch zeer problematisch. Een verbod op een landenboycot kan volgens haar botsen met grondrechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting en de artistieke vrijheid.
Daarbij maakt de minister onderscheid tussen een politieke of artistieke keuze ten aanzien van een land enerzijds, en het uitsluiten van personen vanwege hun achtergrond anderzijds. Dat laatste is niet toegestaan. Een samenwerking beëindigen of een artiest weren uitsluitend omdat iemand Joods is, kan volgens de minister worden aangemerkt als strafbare discriminatie.
Geen aparte subsidievoorwaarde voor poppodia
De minister gaat ook in op de motie over het opnemen van een bepaling in subsidievoorwaarden van poppodia dat antisemitisme niet wordt getolereerd. Volgens de minister is het niet nodig om hiervoor een aparte subsidievoorwaarde op te nemen. Discriminatie is immers al verboden en wanneer subsidie wordt gebruikt voor het plegen van strafbare feiten, kan subsidie worden ingetrokken binnen het bestaande juridische kader.
De minister merkt daarbij expliciet op dat poppodia niet door het ministerie van OCW worden gefinancierd, maar primair onder de verantwoordelijkheid van gemeenten vallen. Dat neemt volgens haar niet weg dat ook gemeenten kunnen optreden wanneer subsidie wordt gebruikt voor strafbare feiten.
Joodse artiesten moeten kunnen blijven optreden
De minister stelt dat culturele activiteiten niet mogen worden verhinderd vanwege een Joods thema of de Joodse achtergrond van een artiest. Een concert, voorstelling of andere culturele activiteit moet niet worden afgelast omdat mensen aanstoot nemen aan de achtergrond of persoonskenmerken van de uitvoerenden.
Tegelijkertijd erkent de minister dat culturele instellingen te maken kunnen krijgen met maatschappelijke spanningen en veiligheidsrisico’s. Besluiten over programmering kunnen in de praktijk ook worden beïnvloed door risico’s voor medewerkers, bezoekers, artiesten of gebouwen. Dat vraagt volgens de minister om goede voorbereiding en samenwerking met het lokale gezag.
Belang van voorbereiding en afweging
In de brief verwijst de minister naar het rapport Weerbare cultuursector; Omgaan met maatschappelijke spanningen en polarisatie en de bijbehorende handreiking. Deze moeten culturele organisaties helpen om beter voorbereid te zijn op maatschappelijke spanningen en mogelijke verstoringen.
Voor poppodia is vooral van belang dat zij vooraf goed nadenken over de afwegingen rond programmering, veiligheid, artistieke vrijheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid. De VNPF heeft hiervoor eerder een afwegingskader opgesteld voor programmeren in tijden van polarisatie. Dit kader kan podia helpen om zorgvuldig, transparant en navolgbaar afwegingen te maken wanneer programma’s gevoelig liggen of tot maatschappelijke discussie kunnen leiden.
Daarnaast is de verbinding met het lokale gezag belangrijk. Grotere organisaties hebben vaak al bestaande contacten en protocollen, maar voor kleinere organisaties is dat niet altijd vanzelfsprekend. De minister onderstreept dat culturele organisaties moeten weten hoe zij snel contact kunnen leggen met de lokale driehoek van burgemeester, politie en Openbaar Ministerie wanneer signalen van mogelijke verstoring ontstaan.
Vervolg: bescherming van de culturele sector
Naar aanleiding van het advies van de Raad voor Cultuur over artistieke vrijheid bekijkt het kabinet hoe de bescherming van de culturele en creatieve sector verder kan worden versterkt. In dat kader wordt gewerkt aan een beschermingspilot voor de culturele en creatieve sector. De resultaten daarvan worden naar verwachting eind 2027 gedeeld met de Tweede Kamer.
Duiding voor VNPF-leden
Voor VNPF-leden bevestigt de brief twee belangrijke uitgangspunten. Ten eerste hebben poppodia en festivals artistieke en programmatische vrijheid, ook in een maatschappelijk of politiek gevoelig klimaat. Ten tweede geldt onverkort dat discriminatie, waaronder antisemitisme, niet is toegestaan.
De brief maakt ook duidelijk dat er geen nieuwe landelijke subsidievoorwaarde voor poppodia komt vanuit OCW. Poppodia worden primair gemeentelijk gefinancierd. Wel blijft het belangrijk dat podia hun beleid rond sociale veiligheid, non-discriminatie, programmering en omgang met mogelijke verstoringen goed op orde hebben, en dat zij waar nodig tijdig contact zoeken met gemeente, politie en andere betrokken partijen.